![]() |
Recensie: | ![]() |
![]() |
||
Mantra's algemeen Zeven mantra’s, gemaakt door Anandajay en Raju. De reeks heet ‘Trishna vanto Krishna’ (‘Dorst naar Krishna’) en Anandajay heeft mij gevraagd hier iets over te schrijven. Niet lang geleden,
in een gesprekje met Anandajay over zijn muziek,
vertelde hij hoe de tonen voor zijn mantra’s tot stand komen.
In zijn stil zijn, hoort hij een toon,
zingt deze, waarna Raju hem reproduceert.
Soms komt de toon niet overeen
met de toon die Anandajay hoorde,
omdat hij hem dan blijkbaar anders zong
en dan zoeken ze verder.
Dan hebben ze één toon… Het zijn 4 cd’s: O Namo Bhagavate Vasudevaya
‘Oh zij gegroet, glanzende bezieling die in alles aanwezig is’: Sensuele, zachte belletjes die kunnen doen denken aan de schittering van zonlicht op water, wekken onze aandacht, lokken ons en bespelen onze gevoelige snaren. Een strijkorkest zwelt vanuit de verte aan, geeft een impressie van wat komen gaat en wakkert heel zachtjes en teder ons verlangen aan. De aanraking van de belletjes wordt bijna ondraaglijk, tenminste, in deze prille fase van opengaan. De violen worden gepassioneerder, een tingelinstrumentje (de manjeera) zet een vreugdevol ritme in en als de zachte belletjes in de verte verdwijnen, vergezelt een teder bespeelde pakhawaj (een Indiaas druminstrument) de manjeera (kleine Indiase cymbalen), waardoor een verwachtingsvol samenspel ontstaat. Dit samenspel, begeleid door de prikkelende en ondersteunende violen, doet vreugdevol en aanmoedigend verlangen naar meer. Dan zet Anandajay de mantra in, geraakt, betrokken, gepassioneerd, indringend en heel liefdevol tegelijk. De mantra wordt drie keer (6x) gezongen; ik voel me uitgenodigd en aangemoedigd door met Anandajay deel te nemen aan dat wat hem zo beroert, de manjeera benadrukt deze aanmoediging. Deze drie keer worden afgewisseld door een wat dromerig, geruststellend elektrische gitaarintermezzo. Dan zingt Raju mee, heel ingetogen en liefdevol, Anandajay nog steeds goed hoorbaar. Dit is misschien wel het moment èn de manier waarop wij worden uitgenodigd mee te zingen. Deze samenzang van hen, maar ook van mij met hen en mezelf, laat de aanraking dieper waar worden. Na enkele herhalingen volgt een langere gitaarsolo, nog altijd begeleid door de violen, de tabla en het schitterende geluid van de manjeera. De gitaar haar snaren worden steviger bespeeld, doortastend, zoekend. Mogen deze tonen onze onwillige, onbekende, misschien wel pijnlijke en gevoelige snaren raken, beroeren, lostrillen en verzachten, terug tot leven wekken, zodat ook deze gebieden weer mee kunnen gaan vibreren in het geheel? Hierna zingt Anandajay eerst alleen en dan weer met Raju nog een zevental keer de mantra, ons de gelegenheid gevend alsmaar dieper toe te laten. Na een afsluitende gitaarsolo, die mij deze keer meer geruststellend, bevestigend voorkomt, blijven eerst de strijkers met tabla en manjeera over zodat we nog een tijdje kunnen door/navoelen. Als de violen heel langzaam afnemen in sterkte dienen de belletjes van het begin zich in de verte weer aan. Nadat eerst de tabla en manjeera en daarna de violen langzaam wegsterven, blijven de belletjes alleen nog over en hiermee iets heel kwetsbaars maar vols, rijks, transparants, schitterends, glanzends. Waarna ik alleen maar diep kan buigen voor dat wat ik ervaar en voor de alsmaar, niet aflatende aanmoediging en ondersteuning van Anandajay om de glanzende bezieling die in alles aanwezig is, tot leven te laten komen. In dit geval via deze mantra’s. Govinda, Gopala, Gopinatha Krishnanamaha
‘ Oh, zij gegroet, dat wat alle zielen vreugde schenkt, dat wat alle zielen ondersteunt, dat wat alle zielen beschermt en wat alle zielen naar zich toe trekt’. Voor mij een mantra die bulkt van verlangen. Een smachtend liefdeslied. Wat me in eerste instantie heel erg opvalt is het uiterst mineure karakter van deze mantra, zeker in het begin. Ook vallen me de nadrukkelijke aanwezigheid van zogenaamde ‘seufzers’ op. Dit is een zuchtend, smachtend motief in de klassieke muziek, die bestaat uit twee tonen die heel dicht bij elkaar liggen. We horen deze al op de ‘Go’ van Govinda. Als ik bovenstaande vertaling van de mantra lees en vervolgens de muziek hoor, is er voor mij een grote discrepantie (vreugde in de tekst, droefheid in de muziek) en voel ik mij uitgenodigd dieper te gaan voelen. De strijkers komen uit het niets en worden langzaam sterker, hiermee heel zacht, maar ook heel direct het verlangen aanwakkerend. Ze klinken smachtend, het doet bijna pijn, ik wil bijna huilen. De fluit doet nog een duit in het zakje, maar maakt het gaandeweg iets luchtiger. Net als ik door de aanraking van de fluittonen een verzachting voel in maag- en hartchakra en er daardoor in de verte vreugde voelbaar wordt, zet de manjeera ( de twee kleine bekkentjes aan een touwtje) hetzelfde zonnige, aanmoedigende ritme in als in de Om Bhagavate mantra. Ook de pakhawaj komt erbij, met zijn diepere klank mijn onderste chakra’s aanrakend, zijn hoger klanken beroeren mijn midden. Inmiddels is er een pallet van klanken; strijkers, fluit, manjeera en pakhawaj, ons overal aanrakend, ons overal uitnodigend tot verzachting, tot meegaan. Dan, alsof het nog niet genoeg is, een cello. Een klaaglijkere klank bestaat er bijna niet, een zoete weeklaag, heimwee. Anandajay zet de mantra in en ik voel diepe geraaktheid en dankbaarheid in zijn stem. Het doet me denken aan zoals we ons kunnen voelen als we een baby’tje zien. Twee hoge vrouwenstemmen worden op de achtergrond hoorbaar. Het beeld van twee engelen komt bij me op, die me naar hen toe willen lokken. Anandajay en de cello vervolgen hun verlangende duet, de engelen‘roepen’ nogmaals, ze wisselen elkaar af, het verlangen wordt steeds meer voelbaar. Dan gaat Anandajay zijn eigen melodie bij Govinda en Gopala (het vreugdeschenkende en het ondersteunende) met bevestigende, ondersteunende interventies omspelen, afgewisseld door de twee roepende engelen. Een wee naar huis wordt steeds dieper voelbaar. Na een verrassende en een beetje uit balans brengende ‘break’ van de pakhawaj (waardoor we eventueel ook weer even alert worden gemaakt), blijven enkel Gopinata (het beschermende) en Krishnanamaha (verering van dat wat alle zielen naar zich toetrekt), over. En gek genoeg (of niet?), doet nu in de muziek iets meer de vreugde haar intrede. De meer uitbundige vreugde, want misschien zat in het voorgaande de vreugde `m wel in de zoete smacht. Deze meer uitbundige vreugde wordt voelbaar middels een speelsere pakhawaj; de smachtende hoofdtoon blijft wel. Anandajay gaat nu in de tweede stem de hoogte in en we kunnen nu genieten van een wonderschoon duet met hem, als wij gewoon heel ingetogen de basisstem blijven zingen. Het verlangen wordt inmiddels zo enorm, dat we niet anders kunnen, niet anders willen, dan haar te horen en in te willigen, haar tegemoet te komen, haar te geven waar ze naar verlangt. Samen te komen, één te worden. Nu gaat Anandajay nog uitbundiger de basislijn omspelen. Een feestje, ter ere van Krishna. ‘Ik buig met eerbied en groet u met respect, het alles en iedereen aantrekkende wezenlijke’. De inmiddels driestemmige Anandajay bezingt Krishna alsof hij er geen woorden voor heeft. Dankbaarheid wordt in mij voelbaar. Dank, voor dit verlangen, voor dit zo voelbaar te maken, dat we niet anders kunnen dan er gehoor aan te geven. De fluit (van Krishna?) blijft over met een liefdevol naspel en verdwijnt in de verte, ons belovend er altijd voor ons te zullen zijn; ons aanmoedigend, altijd te blijven luisteren…. Om Namo Om Namaha, Om Namo Om Namaha, Om Namo Hari Bhole, Ananda Namaha.
‘Oh zij gegroet Wezenlijkheid, die ons zonder te hoeven vragen, alles geeft en onze harten steelt’. Een liefdeslied. Alle mantra’s hebben natuurlijk alle aspecten van verlangen, liefde, dankbaarheid, vreugde en alles wat Anandajay maar voelbaar kan maken in zich, maar bij elk van de mantra’s is een bepaalde kwaliteit meer voelbaar dan de anderen en voor mij is dat bij deze die van aanbidding, liefde uiten, liefde verklaren. De strijkers zijn nu wat sneller direct aanwezig dan dat we tot nu toe gewend zijn, ons directer aansprekend, met een indringend vibrato onze verhardingen loswekend. Anandajay spreekt de mantra als een gebed uit.. Een viool speelt ons toe. Nodigt ons uit, veel belovend, indringend. Anandajay zet de mantra in, zo liefdevol. Verliefd, aanbiddend. Mijn nieuwsgierigheid wordt gewekt naar ‘het onderwerp’ van zijn aanbidding. Dus ga ik na een tijdje geluisterd te hebben, meezingen. Daar ontmoet ik hem en samen bezingen we dat wat ons zoveel kan geven. De viool speelt weer. Deze keer hoor ik een aanbidder, die zijn geliefde vanuit het diepst van zijn wezen toespeelt. Het nodigt me uit tot opengaan voor deze aanbidding. Samen met Anandajay bezing ik nu dat wat steeds voelbaarder wordt. Anandajay moedigt ons aan met ondersteunende samenzang. O, geliefde Ziel, je geeft zoveel zonder dat we ergens om vragen. Ik hou van jou. Jij bent de enige die mij echt vervulling kan geven. Ik hou van jou, ik hou van jou. Ik kan nu meer invoelen met de viool. Alsof ik het zelf zou spelen voor mijn geliefde, vanuit het diepste van mijn Ziel. De liefde brengt ons in vervoering en de manjeera (2 kleine bekkentjes) kondigt vreugde aan, waarna de pakhawaj (kennelijk zus en broer in deze mantra’s) haar direct vergezelt in een uitbundigere sfeer dan we tot nu toe hoorden. Ik zou kunnen gaan bewegen om aan de liefde uiting te geven. De vreugde ontspruit in mijn hart, mag het? Durf ik die vreugde en die liefde de ruimte te geven? Ondertussen blijf ik ingetogen meezingen met Anandajay. Dit houdt me bij de mantra en helpt me om niet ‘op te gaan’ in de vreugde, maar die te blijven voelen en die toe te staan, me er door te laten aanraken. Bij de volgende serenade van de viool wordt de pakhawaj heftiger. We worden duidelijk uitgenodigd tot het steeds meer wáár laten worden van de vreugde. Mag de Wezenlijkheid, die zonder dat we er om vragen ons zoveel geeft, onze harten stelen? Mogen we onszelf, samen met Anandajay verliezen in deze liefde, in deze dankbaarheid, in deze aanbidding? Mogen we de vreugde die deze liefde ons geeft, echt voelen? De vreugde in mijn hart wordt nog duidelijker voelbaar, doet mijn hart tintelen. Weer krijg ik, terwijl Anandajay de mantra nu meer gefragmenteerd, speelser, maar ook gepassioneerder zingt, de neiging om te gaan dansen. Het is fijn om dit te voelen, terwijl het nu volgens mij gepaster is Anandajay alleen te laten zingen, badend in dat wat dit alles ons geeft. Daar is weer de viool met haar liefdeslied. Ik zou met haar mee willen zingen. Als hij verdwijnt, gevold door de strijkers, pakhawaj en manjeera blijf ik achter.. mijn vreugde, liefde, vervulling, dankbaarheid voelend…. mijn hart, voor eventjes…gestolen…. Bhaje Bhaje Nandanam Radhamadhava
Bhaje Bhaje Nandanam Janavallabha Bhaje Bhaje Nandanam Brajanaranjana Bhaje Bhaje Nandanam Radhamadhava Zing in de naam van het wezenlijke in blijdschap om het verheven liefdesspel van Radha en Krishna, om de samenkomst van de mens met zijn meest wezenlijke essentie, omdat de energie van het wezenlijke op een verheugende manier wordt uitgebreid door dat samenzijn. (Bij deze mantra is het in eerste instantie wel handig de (prachtige) Sanskriet woorden voor ogen te hebben.) Op een bedje van violen (strijkers) een gezamenlijk liefdeslied van piano en cello. Veel verlangen, de ‘seufzers’ (zie: Om Bhagavate Mantra) zijn ook weer nadrukkelijker aanwezig. Deze smachtende tonen zijn duidelijk steviger aangeslagen op de piano, de cello heeft een indringend vibrato. Mogen ze ons raken en beïnvloeden; ons in beweging brengen? Dan Anandajay, met een gebed in Sanskriet; hier zal ik me beperken tot de vertaling, ofschoon het Sanskriet ook zéér de moeite waard is. ‘Alle eer aan het verheven liefdesspel van Radha en Krishna, waarbij de nobele Heer zijn toegewijde optilt tot op de top van zijn verheven zijnstoestand. In dit aardse paradijs, waar, in een inham, de rivier en het bos samenkomen, vermengt de Zoon van Jasoda (Moeder van Krishna) blijmoedig zijn kosmische energie met de in vervoering geraakte, toegewijde Radha. Het komt me voor alsof Anandajay ons een heel belangrijke overlevering voorleest. Het woord ‘aandoenlijk’ komt bij me op, wat ik eigenlijk misplaatst vind. Maar dit zegt me hoe puur, kwetsbaar, ontwapend, bloot, zijn stem mij in de oren klinkt. Tot drie keer toe mogen wij ons door dit devotionele gebed laten aanraken. Het liefdesspel van piano en cello gaat door, bijgestaan door weer de manjeera en de pakhawaj. Anandajay begint de mantra, uiterst teder. Heel aanrakend, ontroerend, sensueel. Na een tijdje ga ik meezingen en bij deze mantra, meer nog dan bij de vorige mantra’s, voel ik voor mezelf hoe belangrijk het is mijn stem volledig samen te laten komen met die van Anandajay. Zo mag de gevoelswaarde bij mij naar binnenstromen en in mij, als wel om mij heen haar werk doen. Energieën mogen vrijelijk gaan stromen en samenkomen, samen spelen. Het laten vervloeien van mijn stem met die van Anandajay mag ik na een tijd van nature ook weer loslaten. Nogmaals drie keer het gebed dat mij nu dieper raakt. De cello moedigt aan tot (verder) opengaan. Dan weer de mantra, ditmaal uitbundiger. De piano speelt nu een zelfstandige melodielijn, omspeelt de melodie van zang en cello, die nu samen zijn. pakhawaj en manjeera zijn feestelijk. Na een tijdje komt er een vrouwenkoor bij. Hierdoor wordt de aanraking steeds totaler, het loslaten steeds makkelijker, het feest steeds meer waar, evenals de heelheid en de volheid. Nogmaals drie keer het zo prachtige gebed, waarna een uitbundige piano improvisatie (Krishna in vervoering?) begeleid door, en in samenspel met, de trouwe en ondersteunende cello (Radha?). Samen vervolgen ze hun weg, het gehele feestje in de verte verdwijnend. Ik blijf achter, voldaan, heel, vol. Radhe Radhe Radheshyam, Jai Shri Krishna Radheshyam.
Oh, liefhebbende, met de oorsprong verbonden toegewijde, hoe mooi dat je de alaantrekkende bron van de schepping eert om er volledig mee samen te zijn. Een mantra die voor mij gaat over relatie, het verlangen daarnaar en de vreugde en schoonheid die relatie geeft. Hij riep bij mij een torenhoge weerstand op, omdat deze mantra juist mijn angst en moeite voor relatie aanraakt, maar ook is het voor mij nog onwennig om mij door de vreugde van deze muziek aan te mogen laten raken. Ik zoek het alsmaar heel diep en/of hoogdravend en ga daardoor misschien wel voorbij aan gewone, menselijke gevoelens (Ken ik daarin de vreugde wel?). En dus luister ik nogmaals: Terwijl strijkers vanuit de verte aanzwellen, wekt een harp onze aandacht met enkele tonen. Haar tonen roepen bij mij een gevoel van weidsheid op, alsof ze zo voor ons de ruimte tastbaar wil maken een ruimte die onmetelijk is. Daarop Anandajay met een langgerekt ‘Om’ de heelheid uitnodigend, vanuit die heelheid een gebed: ‘Om Radhe Krishna, Om Radhe Govinda, Om Radhe Gopala, Radhe Radhe’. De harptonen omarmen het gebed en uit deze begeleiding vloeit een heel ontroerende en tedere melodie voort, wat mij doet verzachten. De cello antwoordt hierop en leidt de mantra in. De cello gaat verder met de mantra liefdevol te begeleiden en Anandajay zingt heel innig met de cello samen. Een verlangende vreugde wordt voelbaar. Als Anandajay na een tijdje de mantra gezongen te hebben stopt, gaat de cello door en de harp speelt nu het duet met de cello. Ook hier een innigheid. Ik probeer uit alle macht te voelen waar de harptonen ons zouden moeten raken, maar volgens mij is dit ‘gewoon’ een heel innig samenspel tussen de cello en de harp, dat me een heel vredig en een ingetogen vreugdegevoel geeft. Dan voegt Raju zich in de mantra bij Anandajay en dit is een heel aanrakend duet. Tijdens mijn weerstand kon ik dit bijna niet horen; de mate van relatie die voor mij voelbaar werd was me teveel. De cello begeleidt hen en klinkt voor mij ‘roepend’ vanuit de diepte: ’kom maar, open maar, het is hier goed’. Ik mag meezingen in dit prachtige geheel. De harp komt weer terug en speelt een liefdesdans met de alsmaar aanwezige, alsmaar aantrekkende cello. Anandajay en Raju vervolgen de mantra met als toevoeging de pakhawaj en deze keer niet de manjeera maar een soort tamboerijn (Indiase gunghroo). De cello lijkt van aantrekkend nu meer toegewijd en ondersteunend te klinken Ook in het intermezzo lijken de rollen nu omgedraaid: de harp speelt in vervoering en de cello ondersteunend. Overbodig te zeggen dat al deze duetten en samenspelen mij sterk doen denken aan Krishna en Radha. Wat een schoonheid. Het feestje wordt vervolgd; ‘Relatie’ is nu in alle cellen voelbaar, het druipt er bijna vanaf, we kunnen er nu echt niet meer omheen! Durven we ons mee te laten voeren en deze uitnodiging aan te nemen, durven we hier werkelijk aan deel te nemen? Mag het? Mogen we ook de verlossende vreugde voelen, de joy van het samenzijn? Net als ik door mijn weerstand heen enige bereidheid voel ontspruiten, bouwt de mantra zich af en heb ik een spijtig gevoel, omdat de bereidheid niet eerder mocht komen. Maar gelukkig; ik heb de cd en kan dus nog vele malen dit innige feestje met Anandajay en Raju aangaan. Govinda Jaya Jaya, Gopala Jaya Jaya, Radha Ramana Hari, Govinda Jaya Jaya.
Zij geëerd, oh alles aantrekkende Essentie, die voor ons zorgt. Zij geëerd, oh alles aantrekkende Essentie die ons ondersteunt. Zij geëerd, oh liefhebbende toegewijde, die deze waardige Essentie zo boven alles eert. ‘Jaya’, zo staat in de vertaling van de Sanskriet woorden, ‘geeft een vreugdevolle aanroep tot het Wezenlijke aan’. Dit is in deze mantra erg voelbaar aanwezig, evenals ‘de opperste toewijdingsvreugde’ (Ramana). Veel vreugde dus, maar doordat we samen met Anandajay en Raju ingetogen, teder, met liefdevolle toewijding blijven zingen, verliezen we ons niet in de vreugde, maar blijven we in relatie met dat wat ons zoveel vreugde schenkt. Strijkers en een diepe pakhawaj nodigen ons uit deel te nemen. Een cello ‘zingt’ een prachtig, verlangend liefdeslied. Ik voel dat de liefde en de vreugde in mij worden aangesproken. Dan begint Anandajay de mantra te zingn. Ik betrap mezelf erop dat ik diep ga zitten zoeken naar een gevoelswaarde, totdat ik mezelf toesta de mantra gewoon naar me toe te laten komen zoals die is. De mantra te ontvangen. Dan komt het als vanzelf naar me toe: vreugde, een vredige vreugde waarin ik mag uitdijen. Mag het ook werkelijk? De cello mag me aanraken in de vreugde, maar, voel ik dan, ook in mijn verdriet, in de pijn van het gemis. De cello vervolgt het zoet verlangende liefdeslied, samen met pakhawaj en strijkorkest. De mantra wordt wat intensiever met een tweede stem erbij en de pakhawaj gaat wat meer spelen dan hij tot nu toe deed. Ik merk dat ik zo graag luister, dat ik vergeet mee te zingen. Als ik dat wel doe, voel ik dat ik meer onderdeel van het geheel mag worden, meer deel mag gaan uitmaken van de aanrakingen en de vreugde. Ik voel mij omhuld door Anandajay, door de muziek, de mantra. In deze omhulling voel ik dat ik dat ik mezelf wat makkelijker los mag laten. De cello met tussenspel, steeds expressiever. De mantra vervolgt, deze keer met een viool en de pakhawaj en de zonnige manjeera is weer terug! Deze laatste, de manjeera, komt bij mij wel heel erg binnen; het lijkt wel of ik Anandajay hierin voel, de vreugde liefdevol aanmoedigend. Door deze lichtere instrumenten krijgt het geheel een lichter, bijna vrolijk karakter. Nog altijd heel toegewijd, natuurlijk. Ik voel een uitnodiging tot loslaten van alles wat zwaar is en de vreugde in mijn hart, in mezelf toe te laten. In het intermezzo komt de zeer expressieve cello terug, de viool vervangend, maar de zonnige manjeera blijft erbij. Weer de mantra met steeds meer de nadruk op ‘Jaya’. Ik word geraakt door de stem van Raju, voor mijn gevoel, samen met Anandajay, erg in zijn element in ‘Jaya’. Dit doet me glimlachen, doet me gelukkig voelen. Raakt me. Na een hele tijd van dit feestje en de aanrakingen hiervan te hebben kunnen genieten, blijft in de mantra alleen nog maar ‘Jaya’ over, samen met de viool. Hierna een duet tussen de indringende cello en de lichtere viool. Een allesaantrekkende cello en een toegewijde viool? De viool die me, zoals ik al suggereerde, doet denken aan Radha, blijft een beetje dromerig maar heel toegewijd over en sluit de mantra, al wegstervend, af. Hare Krishna, Hare Krishna, Krishna Krishna, Hare Hare
Hare Rama, Hare Rama, Rama Rama, Hare Hare. Oh zij gegroet, Goddelijke Essentie die alles naar zich toe trekt, want Gij zijt onze waarlijk vreugdevolle Bron. De kers op de toch al zo mooie slagroomtaart, de mantra der mantra’s. Hierin komt alles samen. Anandajay en Raju op hun ‘best’, in hun volle glorie. Graag wil ik zeggen: Luister en ervaar zelf, ‘want’, zo zegt een bekende Zenmeester, ‘de smaak van een mandarijn kun je niet vertellen, die kun je alleen zelf proeven’. Dus wat moet ik hier nu doen? Toch iets gaan vertellen? Elk woord dat ik aan deze mantra zou wijden zou me banaal in de oren klinken en zou sowieso afbreuk doen aan deze volledigheid. Mijn uitnodiging zou dus zijn: Gaat u zitten en luister, voel, proef, zing in blijheid en ervaar deze volle, glorierijke, diepe, hele(nde), schitterende diamant! Met een nederige buiging, Eva | ||
| naar bovenkant | |
| home | |
| index & zoeken |